Diagnose van COPD

COPD is een chronische longziekte die vaak pas wordt ontdekt wanneer de ademhaling al langere tijd achteruitgaat. Veel mensen merken aanvankelijk alleen dat ze sneller buiten adem raken, vaker hoesten of minder gemakkelijk kunnen bewegen. Omdat deze klachten meestal geleidelijk ontstaan, worden ze soms toegeschreven aan ouder worden, een slechte conditie of jarenlang roken. Toch kunnen ze wijzen op een blijvende vernauwing van de luchtwegen.

Om COPD vast te stellen, is een longfunctietest nodig. Met dit onderzoek kan een arts meten hoe goed de lucht door de longen stroomt en of de luchtwegen blijvend vernauwd zijn. De diagnose wordt niet alleen op de testresultaten gebaseerd. Ook de klachten, het rookverleden en andere mogelijke oorzaken van ademhalingsproblemen worden beoordeeld. Een juiste diagnose is belangrijk om tijdig met een passende behandeling te beginnen en verdere longschade zoveel mogelijk te beperken.

Hoe wordt COPD vastgesteld?

De diagnose van COPD begint meestal bij de huisarts. Wanneer iemand langdurig hoest, regelmatig slijm ophoest of sneller kortademig wordt, onderzoekt de arts waar deze klachten vandaan komen.

Daarbij wordt onder meer gekeken naar het rookverleden, de werkomgeving en eventuele longaandoeningen in de familie. Ook de leeftijd, eerdere luchtweginfecties en het verloop van de klachten kunnen belangrijke aanwijzingen geven.

De belangrijkste stappen bij het vaststellen van COPD zijn:

  1. Gesprek over de klachten: de arts vraagt wanneer de ademhalingsproblemen begonnen, hoe vaak ze voorkomen en welke invloed ze hebben op het dagelijks leven.
  2. Beoordeling van risicofactoren: roken, vroegere blootstelling aan schadelijke stoffen en eventuele longziekten worden besproken.
  3. Lichamelijk onderzoek: de arts onderzoekt onder meer de ademhaling en luistert met een stethoscoop naar de longen.
  4. Longfunctietest: met spirometrie wordt nagegaan of de luchtwegen blijvend vernauwd zijn.
  5. Aanvullend onderzoek: indien nodig worden andere onderzoeken uitgevoerd om bijkomende aandoeningen of andere oorzaken van de klachten op te sporen.

Niet iedereen heeft dezelfde onderzoeken nodig. Bij een duidelijk vermoeden van COPD kan een longfunctietest vaak snel uitsluitsel geven. Wanneer de resultaten onduidelijk zijn of verschillende aandoeningen mogelijk lijken, is verder onderzoek aangewezen.

Welke klachten kunnen wijzen op COPD?

COPD wordt vaak vermoed bij mensen die al langere tijd last hebben van ademhalingsproblemen. De klachten ontstaan meestal langzaam en nemen bij sommige patiënten over de jaren toe.

Veelvoorkomende symptomen zijn:

  • Kortademigheid tijdens wandelen, fietsen of traplopen.
  • Een aanhoudende hoest, vooral ’s morgens.
  • Regelmatig slijm of fluimen ophoesten.
  • Een piepende of fluitende ademhaling.
  • Sneller vermoeid raken bij lichamelijke inspanning.
  • Terugkerende luchtweginfecties.
  • Steeds meer moeite hebben met gewone dagelijkse activiteiten.

Niet iedereen met COPD heeft al deze klachten. Sommige mensen hoesten nauwelijks, maar ervaren vooral kortademigheid. Anderen hebben jarenlang een hardnekkige hoest voordat ze merken dat hun conditie achteruitgaat.

De symptomen zijn bovendien niet specifiek voor COPD. Ook astma, hartproblemen en andere longaandoeningen kunnen vergelijkbare klachten veroorzaken. Daarom kan de diagnose niet uitsluitend op basis van symptomen worden gesteld.

Longfunctietest: het belangrijkste onderzoek bij COPD

Een longfunctietest, ook spirometrie genoemd, is noodzakelijk om COPD vast te stellen. Dit onderzoek meet hoeveel lucht iemand kan uitademen en hoe snel dat gebeurt.

Bij gezonde longen kan de lucht tijdens een krachtige uitademing relatief gemakkelijk naar buiten stromen. Bij COPD zijn de luchtwegen blijvend vernauwd, waardoor het uitademen moeilijker verloopt.

Spirometrie maakt deze beperking meetbaar. De test is pijnloos en kan in een huisartsenpraktijk, een longfunctielaboratorium of een ziekenhuis worden uitgevoerd.

Hoe verloopt een spirometrie?

Tijdens het onderzoek zit de patiënt meestal rechtop en ademt via een mondstuk dat verbonden is met een meettoestel. Vaak wordt een neusklem gebruikt om te voorkomen dat er lucht via de neus ontsnapt.

De test verloopt doorgaans als volgt:

  1. De patiënt ademt eerst rustig in en uit.
  2. Daarna wordt gevraagd om zo diep mogelijk in te ademen.
  3. Vervolgens moet alle lucht zo snel en krachtig mogelijk worden uitgeblazen.
  4. Het toestel meet hoeveel lucht wordt uitgeademd en hoe snel dit gebeurt.
  5. De meting wordt enkele keren herhaald om betrouwbare resultaten te verkrijgen.

Het krachtig uitblazen kan vermoeiend zijn. Sommige mensen moeten na een poging even op adem komen. Dat is niet ongewoon.

Voor een betrouwbare meting is het belangrijk dat de patiënt de instructies goed volgt. Wanneer het uitblazen te vroeg stopt of onvoldoende krachtig gebeurt, kunnen de resultaten een verkeerd beeld geven.

Waarom wordt de test herhaald na een luchtwegverwijder?

Bij een onderzoek naar COPD wordt de longfunctie ook gemeten na het toedienen van een luchtwegverwijdend geneesmiddel. Dat gebeurt meestal via een inhalator of puffer.

Na een korte wachttijd wordt de blaastest opnieuw uitgevoerd. De arts kan dan nagaan of de vernauwing van de luchtwegen blijft bestaan.

Bij COPD blijft de luchtstroom na het gebruik van de luchtwegverwijder doorgaans beperkt. De longfunctie kan wel verbeteren, maar de vernauwing verdwijnt niet volledig.

De verandering na de puffer kan nuttige informatie opleveren, maar is op zichzelf niet voldoende om COPD van astma te onderscheiden. Ook mensen met COPD kunnen duidelijk reageren op een luchtwegverwijder, terwijl sommige patiënten met astma een blijvende vernauwing hebben.

Wat betekenen FEV1 en FVC bij COPD?

Op het verslag van een longfunctietest staan verschillende meetwaarden. Twee daarvan zijn bijzonder belangrijk voor de diagnose van COPD: FEV1 en FVC.

FEV1: de éénsecondewaarde

FEV1 geeft aan hoeveel lucht iemand tijdens de eerste seconde van een krachtige uitademing kan uitblazen.

Wanneer de luchtwegen vernauwd zijn, stroomt de lucht trager naar buiten. De FEV1-waarde kan daardoor lager liggen dan verwacht.

Artsen vergelijken deze waarde met een voorspelde waarde voor iemand met vergelijkbare lichamelijke kenmerken, zoals leeftijd, lengte en geslacht.

De FEV1 wordt niet alleen gebruikt bij de diagnose, maar helpt ook om de ernst van de luchtwegvernauwing te beoordelen.

FVC: de totale uitgeademde hoeveelheid lucht

FVC staat voor geforceerde vitale capaciteit. Dit is de totale hoeveelheid lucht die iemand na een zo diep mogelijke inademing krachtig kan uitademen.

De verhouding tussen FEV1 en FVC laat zien welk deel van die lucht tijdens de eerste seconde naar buiten komt.

Bij gezonde volwassenen kan doorgaans een groot deel van de lucht tijdens die eerste seconde worden uitgeademd. Bij een blijvende luchtwegvernauwing is dat aandeel kleiner.

Wanneer wijzen de resultaten op COPD?

Voor de diagnose van COPD wordt gekeken naar de verhouding tussen FEV1 en FVC nadat een luchtwegverwijdend geneesmiddel is toegediend.

Een FEV1/FVC-verhouding lager dan 0,70 wijst op een blijvende beperking van de luchtstroom die, samen met passende klachten en risicofactoren, de diagnose COPD ondersteunt.

Een verhouding van 0,65 betekent bijvoorbeeld dat tijdens de eerste seconde 65 procent van de totale krachtig uitgeademde hoeveelheid lucht naar buiten komt.

De grenswaarde van 0,70 wordt veel gebruikt, maar moet zorgvuldig worden beoordeeld. Bij oudere mensen kan de verhouding ook door normale leeftijdsgebonden veranderingen lager worden. Bij jongere volwassenen kan een waarde boven 0,70 soms toch op een afwijking wijzen wanneer rekening wordt gehouden met leeftijdsgebonden referentiewaarden.

Wanneer de uitslag dicht bij de grens ligt, kan een herhaling van de spirometrie nodig zijn. De arts beoordeelt het resultaat daarom altijd samen met de klachten, het lichamelijk onderzoek en de medische voorgeschiedenis.

Hoe bereid je je voor op een longfunctietest?

Voor een gewone spirometrie is meestal weinig voorbereiding nodig. Toch kunnen bepaalde omstandigheden de meting beïnvloeden.

Het is verstandig om vooraf rekening te houden met de volgende punten:

  • Draag kleding die gemakkelijk zit en de ademhaling niet belemmert.
  • Vermijd zware lichamelijke inspanning vlak voor het onderzoek.
  • Rook niet kort voor de test.
  • Vermijd een erg zware maaltijd vlak voor de afspraak.
  • Meld welke inhalatiemedicatie en andere geneesmiddelen je gebruikt.
  • Vertel het wanneer je onlangs een luchtweginfectie hebt gehad.

Sommige inhalatiemedicijnen moeten vóór een diagnostische longfunctietest tijdelijk worden weggelaten. Dat hangt af van het soort geneesmiddel en het doel van de meting. De arts of het longfunctielaboratorium geeft hierover vooraf instructies.

Stop niet op eigen initiatief met voorgeschreven medicatie.

De volledige afspraak kan langer duren dan de eigenlijke blaastest, zeker wanneer de longfunctie ook na een luchtwegverwijder wordt gemeten.

Kan COPD worden vastgesteld met een röntgenfoto?

Een röntgenfoto van de borstkas, vaak een RX-thorax genoemd, kan nuttig zijn bij het onderzoek van langdurige ademhalingsklachten.

Op een longfoto kunnen bepaalde afwijkingen zichtbaar worden, zoals een longontsteking, vochtophoping of tekenen van sterk uitgezette longen. Ook kan de foto aanwijzingen geven voor andere aandoeningen die kortademigheid of hoesten veroorzaken.

Een gewone longfoto is echter niet geschikt om COPD met zekerheid vast te stellen. Vooral in een vroeg stadium kunnen de longen er op een röntgenfoto vrij normaal uitzien, terwijl de longfunctie al verminderd is.

De spirometrie blijft daarom het belangrijkste onderzoek om een blijvende luchtwegvernauwing aan te tonen.

Wanneer is een CT-scan van de longen nodig?

Een CT-scan maakt gedetailleerdere beelden van de longen dan een gewone röntgenfoto. Daarmee kunnen veranderingen in het longweefsel en andere afwijkingen nauwkeuriger worden bekeken.

Bij COPD kan een CT-scan bijvoorbeeld longemfyseem zichtbaar maken. Hierbij zijn de wanden tussen de longblaasjes beschadigd, waardoor de longen minder goed functioneren.

Een CT-scan kan nuttig zijn wanneer:

  • De klachten niet goed overeenkomen met de longfunctieresultaten.
  • De arts een andere longaandoening vermoedt.
  • Er aanwijzingen zijn voor bronchiëctasieën of andere afwijkingen.
  • De ernst en verdeling van longemfyseem moeten worden beoordeeld.
  • Bepaalde gespecialiseerde behandelingen worden overwogen.

Niet iedereen met COPD heeft een CT-scan nodig. Een scan kan longschade aantonen, maar vervangt de spirometrie niet bij het stellen van de diagnose.

Welke aanvullende onderzoeken kunnen nodig zijn?

Wanneer COPD is vastgesteld of wanneer de oorzaak van de klachten nog onduidelijk is, kan de arts bijkomende onderzoeken aanvragen.

Uitgebreid longfunctieonderzoek

Bij een uitgebreider longfunctieonderzoek wordt niet alleen gekeken naar de snelheid waarmee iemand kan uitademen. Ook de totale longinhoud en de hoeveelheid lucht die na het uitademen achterblijft, kunnen worden gemeten.

Bij COPD kan er sprake zijn van luchtophoping in de longen. Daardoor blijft er meer lucht achter dan normaal, wat de ademhaling tijdens inspanning moeilijker kan maken.

Een gespecialiseerde meting van de longvolumes kan helpen om dit beter in kaart te brengen.

Diffusietest

Met een diffusietest wordt onderzocht hoe goed gassen vanuit de longblaasjes naar het bloed kunnen overgaan.

Bij mensen met longemfyseem kan deze gasuitwisseling verminderd zijn doordat een deel van het longweefsel beschadigd is.

De diffusietest kan nuttig zijn om de gevolgen van longschade beter te beoordelen en om bepaalde andere longaandoeningen te onderscheiden.

Meting van het zuurstofgehalte

Het zuurstofgehalte in het bloed kan eenvoudig worden gemeten met een saturatiemeter die op de vinger wordt geplaatst.

Bij ernstige COPD kan de zuurstofsaturatie verlaagd zijn. Een normale waarde sluit COPD echter niet uit. Vooral in een vroeg stadium kan het zuurstofgehalte volledig normaal blijven.

Wanneer nauwkeurigere informatie nodig is, kan een bloedgasmeting worden uitgevoerd. Hiervoor wordt bloed afgenomen uit een slagader, meestal ter hoogte van de pols. Daarmee kunnen onder meer het zuurstofgehalte, het koolstofdioxidegehalte en de zuurtegraad van het bloed worden bepaald.

Een bloedgasmeting is vooral van belang bij ernstigere ademhalingsproblemen of wanneer zuurstoftherapie wordt overwogen.

Bloedonderzoek

Een gewone bloedtest kan COPD niet aantonen, maar kan wel helpen om andere gezondheidsproblemen op te sporen.

Bloedarmoede kan bijvoorbeeld kortademigheid en vermoeidheid veroorzaken. Een verhoogd aantal rode bloedcellen kan soms samenhangen met een langdurig zuurstoftekort.

Ook andere bloedwaarden kunnen worden onderzocht, afhankelijk van de klachten en de medische voorgeschiedenis.

Onderzoek naar alfa-1-antitrypsine

Bij mensen met COPD kan een erfelijk tekort aan alfa-1-antitrypsine een rol spelen. Dit eiwit helpt het longweefsel beschermen tegen beschadiging.

Een tekort kan het risico op longemfyseem verhogen, ook bij mensen die nooit hebben gerookt.

Met een bloedtest kan worden nagegaan of er sprake is van een tekort. Bij een vastgestelde COPD-diagnose is het zinvol om een eenmalige test op deze erfelijke aandoening te bespreken. Dat is zeker belangrijk wanneer COPD op jonge leeftijd ontstaat, er weinig rookblootstelling is geweest of meerdere familieleden longproblemen hebben.

Hoe wordt de ernst van COPD bepaald?

Na de diagnose beoordeelt de arts hoe ernstig de luchtwegvernauwing is en hoeveel last de patiënt heeft van de ziekte.

De FEV1-waarde wordt hiervoor vergeleken met de verwachte waarde bij iemand met vergelijkbare kenmerken. Op basis daarvan wordt de beperking van de luchtstroom ingedeeld in vier GOLD-graden.

GOLD-graadFEV1 na luchtwegverwijdingBetekenis
GOLD 180% of meer van de voorspelde waardeLichte luchtwegvernauwing
GOLD 250% tot minder dan 80%Matige luchtwegvernauwing
GOLD 330% tot minder dan 50%Ernstige luchtwegvernauwing
GOLD 4Minder dan 30%Zeer ernstige luchtwegvernauwing

Deze indeling geldt wanneer de diagnose COPD al is bevestigd.

Een lage FEV1 betekent niet automatisch dat iemand evenredig veel klachten heeft. Sommige patiënten met een sterk verminderde longfunctie blijven relatief actief, terwijl anderen met een minder uitgesproken afwijking toch veel kortademigheid ervaren.

Daarom kijkt de arts ook naar de dagelijkse klachten en het risico op nieuwe opstoten.

Hoe worden de klachten en het risico op opstoten beoordeeld?

De longfunctietest geeft belangrijke informatie, maar vertelt niet alles over de gevolgen van COPD.

Tijdens de medische beoordeling wordt ook nagegaan hoeveel invloed kortademigheid, hoesten en vermoeidheid hebben op het dagelijks leven.

Daarvoor kunnen vragenlijsten worden gebruikt.

mMRC: kortademigheid bij inspanning

De mMRC-schaal helpt om te beoordelen hoeveel last iemand heeft van kortademigheid tijdens gewone activiteiten.

De vragen gaan bijvoorbeeld over kortademigheid bij stevig wandelen, het tempo waarin iemand kan stappen en de noodzaak om onderweg te stoppen.

De schaal loopt van 0 tot 4. Hoe hoger de score, hoe meer beperkingen iemand door kortademigheid ervaart.

CAT: invloed van COPD op het dagelijks leven

De COPD Assessment Test, afgekort CAT, is een vragenlijst over verschillende klachten en hun gevolgen.

Daarbij wordt onder meer gevraagd naar hoesten, slijmproductie, benauwdheid, lichamelijke activiteiten, slaap en energie.

De totale score geeft een indruk van hoeveel invloed COPD heeft op het dagelijks functioneren.

Eerdere opstoten

Ook het aantal eerdere opstoten is belangrijk. Een patiënt die regelmatig een plotselinge verergering doormaakt, heeft een ander risicoprofiel dan iemand met een stabiel ziekteverloop.

De arts houdt daarom rekening met eerdere behandelingen met bijkomende medicatie, spoedconsultaties en ziekenhuisopnames wegens COPD.

Al deze gegevens samen helpen om een behandeling te kiezen die aansluit bij de persoonlijke situatie.

Wat is het verschil tussen COPD en astma bij de diagnose?

COPD en astma kunnen vergelijkbare klachten veroorzaken. Bij beide aandoeningen komen kortademigheid, hoesten en een piepende ademhaling voor.

Het verloop van de klachten geeft soms aanwijzingen. Astma begint geregeld op jongere leeftijd en de klachten kunnen sterk wisselen. Sommige mensen hebben lange periodes zonder symptomen en krijgen vooral last na blootstelling aan allergenen, koude lucht of lichamelijke inspanning.

COPD ontstaat meestal geleidelijk en wordt vaker vastgesteld bij volwassenen van middelbare of oudere leeftijd, vooral wanneer er sprake is van langdurige blootstelling aan tabaksrook of andere schadelijke stoffen.

Bij spirometrie blijft de luchtwegvernauwing bij COPD doorgaans aanwezig na het gebruik van een luchtwegverwijder. Bij astma kan de longfunctie juist sterk wisselen en soms volledig normaal worden.

Toch is dit onderscheid niet altijd eenvoudig. Sommige mensen met astma hebben eveneens een blijvende vernauwing, en patiënten met COPD kunnen duidelijk verbeteren na een luchtwegverwijder.

Wanneer de diagnose onduidelijk blijft, kan de arts bijkomende longfunctietesten uitvoeren of de patiënt doorverwijzen naar een longarts.

Welke andere aandoeningen kunnen op COPD lijken?

Niet iedereen met kortademigheid en een chronische hoest heeft COPD. Verschillende andere aandoeningen kunnen soortgelijke klachten veroorzaken.

Hartfalen

Bij hartfalen pompt het hart het bloed minder goed rond. Hierdoor kunnen kortademigheid, vermoeidheid en vochtophoping ontstaan.

Sommige mensen hebben vooral last wanneer ze platliggen of merken dat hun enkels opzwellen. Hartfalen en COPD kunnen ook samen voorkomen.

Bronchiëctasieën

Bij bronchiëctasieën zijn bepaalde luchtwegen blijvend verwijd en beschadigd. Daardoor kan slijm zich ophopen en kunnen terugkerende luchtweginfecties ontstaan.

Aanhoudend hoesten en het ophoesten van veel slijm kunnen zowel bij bronchiëctasieën als bij COPD voorkomen.

Een CT-scan kan helpen om bronchiëctasieën vast te stellen.

Longfibrose

Longfibrose is een aandoening waarbij littekenweefsel in de longen ontstaat. Hierdoor worden de longen stijver en kan de ademhaling moeilijker verlopen.

De afwijkingen op een longfunctietest verschillen meestal van die bij COPD, al kunnen beide aandoeningen soms samen voorkomen.

Andere oorzaken van kortademigheid

Ook bloedarmoede, overgewicht, een verminderde lichamelijke conditie en bepaalde hart- of longaandoeningen kunnen ademhalingsklachten veroorzaken.

Daarom is het belangrijk om bij een onduidelijke diagnose verder te kijken dan de aanwezigheid van hoesten of kortademigheid alleen.

Kan COPD aanwezig zijn bij een normale longfunctietest?

Een normale spirometrie maakt COPD volgens de gebruikelijke diagnostische criteria minder waarschijnlijk. Toch kunnen mensen met een normale verhouding tussen FEV1 en FVC klachten hebben die verder onderzoek verdienen.

Sommige mensen die jarenlang hebben gerookt, hebben bijvoorbeeld al veranderingen in het longweefsel of de kleine luchtwegen zonder dat er bij de spirometrie een blijvende luchtwegvernauwing wordt gemeten.

Ook kan een eerste meting onvoldoende betrouwbaar zijn, bijvoorbeeld doordat de patiënt moeite had om krachtig en volledig uit te ademen.

Wanneer de klachten en risicofactoren sterk op een longprobleem wijzen, kan de arts de test herhalen of aanvullend onderzoek aanvragen.

Een normale longfunctietest betekent dus niet dat iedere mogelijke longaandoening is uitgesloten. Het betekent wel dat de meetwaarden op dat moment niet voldoen aan de gebruikelijke criteria voor COPD.

Kan COPD worden vastgesteld zonder klachten?

Sommige mensen hebben al een blijvende luchtwegvernauwing voordat ze duidelijke ademhalingsklachten ervaren.

Dat komt doordat de ziekte langzaam ontstaat en het lichaam zich gedeeltelijk aan de veranderingen kan aanpassen. Mensen vermijden soms onbewust inspanningen waarbij ze buiten adem raken.

Wanneer spirometrie bij iemand zonder duidelijke klachten een afwijkende waarde laat zien, moet de arts beoordelen of de uitslag betrouwbaar is en of er voldoende aanwijzingen zijn voor COPD.

Niet iedere afwijkende meetwaarde betekent automatisch dat iemand een chronische longziekte heeft. De medische voorgeschiedenis, leeftijd, blootstelling aan risicofactoren en eventuele herhaalde metingen blijven belangrijk.

Een algemene longfunctietest bij alle volwassenen zonder klachten wordt daarom niet standaard aanbevolen. Bij mensen met aanhoudende ademhalingsklachten of een passend risicoprofiel kan gericht onderzoek wel aangewezen zijn.

Wanneer is een verwijzing naar de longarts nodig?

Veel mensen met een vermoeden van COPD worden eerst door de huisarts onderzocht. Afhankelijk van de mogelijkheden in de huisartsenpraktijk kan daar ook een spirometrie worden uitgevoerd.

Wanneer verder onderzoek nodig is, kan de huisarts doorverwijzen naar een pneumoloog, ook longarts genoemd.

Een verwijzing kan onder meer aangewezen zijn wanneer:

  • De diagnose na de eerste onderzoeken onduidelijk blijft.
  • De klachten ernstig zijn of snel verergeren.
  • De longfunctieresultaten niet goed overeenkomen met de symptomen.
  • Er een vermoeden bestaat van een andere of bijkomende longaandoening.
  • COPD op relatief jonge leeftijd wordt vastgesteld.
  • Er sprake is van herhaalde ernstige opstoten of ziekenhuisopnames.
  • Gespecialiseerde onderzoeken of behandelingen nodig zijn.

In België worden uitgebreide longfunctietesten uitgevoerd op diensten pneumologie en in gespecialiseerde longfunctielaboratoria.

De huisarts en longarts kunnen samen instaan voor de verdere opvolging, afhankelijk van de ernst van de ziekte en de behoeften van de patiënt.

Wat gebeurt er nadat COPD is vastgesteld?

Een COPD-diagnose is het begin van de verdere opvolging. De arts bespreekt wat de resultaten betekenen, welke factoren mogelijk hebben bijgedragen aan de longschade en hoe de klachten kunnen worden behandeld.

De eerste behandeling hangt af van de ernst van de symptomen en het risico op opstoten.

Vaak komen de volgende zaken aan bod:

  • Stoppen met roken en begeleiding bij rookstop.
  • Het gebruik van inhalatiemedicatie wanneer die aangewezen is.
  • Controle van de inhalatietechniek.
  • Vaccinaties om het risico op bepaalde luchtweginfecties en hun gevolgen te beperken.
  • Voldoende lichaamsbeweging en behoud van spierkracht.
  • Respiratoire revalidatie bij belangrijke lichamelijke beperkingen.
  • Het herkennen van een opstoot en weten wanneer medische hulp nodig is.
  • Regelmatige controle van de klachten en de longfunctie.

Niet iedere patiënt heeft dezelfde behandeling nodig. Sommige mensen kunnen hun klachten goed onder controle houden met beperkte medicatie en aanpassingen in hun dagelijkse gewoonten. Anderen hebben uitgebreidere medische begeleiding nodig.

Ook bijkomende aandoeningen, zoals hartproblemen, botontkalking of diabetes, kunnen invloed hebben op de verdere aanpak.

Waarom is een vroege diagnose belangrijk?

COPD veroorzaakt blijvende veranderingen in de longen. Beschadigd longweefsel kan doorgaans niet volledig herstellen, maar verdere achteruitgang kan vaak worden afgeremd.

Voor mensen die roken, is stoppen bijzonder belangrijk. Het beëindigen van de blootstelling aan tabaksrook kan de snelheid waarmee de longfunctie achteruitgaat aanzienlijk verminderen.

Ook een passende behandeling en voldoende lichamelijke activiteit kunnen helpen om kortademigheid te beperken en dagelijkse bezigheden langer vol te houden.

Een vroege diagnose maakt het bovendien mogelijk om bijkomende gezondheidsproblemen tijdig te herkennen en afspraken te maken over de verdere opvolging.

Langdurig hoesten of toenemende kortademigheid hoeft niet zomaar bij het ouder worden te horen. Een longfunctietest kan duidelijk maken of er sprake is van een blijvende vernauwing van de luchtwegen.

De diagnose van COPD steunt op drie belangrijke elementen: de klachten, de risicofactoren en een betrouwbare longfunctietest. Pas wanneer die gegevens samen worden beoordeeld, kan de arts vaststellen of COPD de oorzaak van de ademhalingsproblemen is en welke behandeling het meest geschikt is.